KennisWoningtypen
Wat staat hier?Wat er speelt bij dít soort huis. Hoe het gebouwd is, welke gebreken erbij horen, en wat er meestal als eerste aan de beurt is.
Sorteren:Standaard
in zeven groepen — wat de kleuren betekenen
Uitgelicht
- dak
Bungalow en patiowoning
1960 tot 1985, met de patiowoning vooral tussen 1965 en 1980. Gebouwd in uitbreidingswijken, in bungalowparken en als verdichting binnen bestaande buurten.
1× bekeken
18 van 26 woningtypen
- energie
De Vinexwoning, 1990 tot 2005
1990 tot 2005, met het zwaartepunt tussen 1996 en 2004. De naam komt van de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra, die aanwees waar de grote uitbreidingswijken moesten komen: tegen de bestaande stad aan, met een hoge dichtheid voor grondgebonden woningen. Er zijn er ruim zevenhonderdduizend gebouwd, geconcentreerd aan de randen van de grote en middelgrote steden. Leidsche Rijn bij Utrecht, Ypenburg en Leidschenveen bij Den Haag, Stadshagen bij Zwolle, Meerhoven bij Eindhoven, Nesselande bij Rotterdam en tientallen kleinere wijken elders. Binnen één wijk staan verschillende woningtypen door elkaar, van verschillende architecten maar met hetzelfde bestek en hetzelfde installatieconcept.
1× bekeken
- wonen
De arbeiderswoning van voor 1920
Ongeveer 1880 tot 1920. De Woningwet van 1901 en de gemeentelijke bouwverordeningen die erop volgden vormen binnen die periode een duidelijke scheidslijn: daarvoor werd er gebouwd zonder toezicht op maten, lichttoetreding en riolering, daarna met een minimum aan eisen. Woningen van na 1901 zijn gemiddeld ruimer, hoger en beter geventileerd dan de blokken van twintig jaar eerder. Nederland heeft nog enkele honderdduizenden woningen uit deze periode. Ze staan geconcentreerd in de negentiende-eeuwse schil van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Leiden, Dordrecht en Arnhem, in de fabrieksbuurten van Twente, Tilburg en Zuid-Limburg, en in de oude dorpskernen langs vaarten en spoorlijnen. In de westelijke steden staat een groot deel op houten palen, in het oosten en zuiden vrijwel altijd op staal.
1× bekeken
- wonen
De bloemkoolwoning, 1975 tot 1990
1975 tot 1990, met het zwaartepunt tussen 1977 en 1988. De aanleiding was het woonerf uit de jaren zeventig en de eerste isolatie-eisen die na de oliecrisis in de bouwverordeningen terechtkwamen. Rond 1990 verdwijnt het type: de Vinexwijken die daarna komen, zijn weer strakker verkaveld en beter geïsoleerd. Nederland heeft honderdduizenden woningen uit deze periode, verspreid over vrijwel elke gemeente die in die jaren is uitgebreid. Ze staan aan de rand van middelgrote steden en in de groeikernen van toen: Purmerend, Almere, Zoetermeer, Spijkenisse, Nieuwegein, Capelle aan den IJssel, Hoorn en Helmond. Het zijn zowel koop- als huurwoningen, met in de latere jaren van de periode een groot aandeel koop.
2× bekeken
- wonen
De boerderij en het voormalige agrarische gebouw
Van voor 1900 tot ongeveer 1970. Het woongedeelte is meestal tussen 1850 en 1940 gebouwd, vaak op een oudere plattegrond en soms met een kern die nog ouder is. Het bedrijfsgedeelte is daarna herhaaldelijk verbouwd, verhoogd of vervangen, en de losse schuren en ligboxenstallen op het erf zijn bijna altijd jonger dan het huis. Nederland telt enkele tienduizenden boerderijen die geheel of gedeeltelijk als woning in gebruik zijn, en dat aantal groeit doordat agrarische bedrijven stoppen en de gebouwen een woonbestemming krijgen. Ze staan verspreid over het hele buitengebied, met per streek een eigen bouwvorm: de langgevel in Noord-Brabant en Limburg, de kop-hals-romp en de Oldambtster in Friesland en Groningen, de stolp in Noord-Holland en West-Friesland, het hallehuis en het los hoes in Twente, de Achterhoek en de Veluwe. Een aanzienlijk deel is gemeentelijk of rijksmonument, of ligt in een beschermd dorpsgezicht.
1× bekeken
- gemeenschappelijk eigendom
De boven- en benedenwoning
1900 tot 1960, met de meeste panden tussen 1905 en 1955. Ze staan in de vooroorlogse stadsuitbreidingen en de vroege naoorlogse straten van vrijwel elke Nederlandse stad, dicht op elkaar in gesloten bouwblokken; Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Groningen en Nijmegen hebben er hele wijken van. Het splitsen zelf begon in de jaren zestig en versnelde in de jaren negentig, toen boven en onder los verkocht meer opbrachten dan het hele pand. Het bouwjaar van het pand is daardoor bijna nooit gelijk aan het jaar van de splitsing, en dat verschil verklaart veel van wat je aantreft. In aantal is dit de meest voorkomende kleine vereniging van eigenaars in Nederland.
1× bekeken
- wonen
De doorzonwoning, 1960 tot 1975
1960 tot 1975, met het zwaartepunt tussen 1962 en 1974. In die vijftien jaar is een groot deel van de Nederlandse rijwoningvoorraad gebouwd, in uitbreidingswijken aan de rand van vrijwel elke stad en van vrijwel elk dorp. Je herkent die wijken aan de lange rechte rijen, de ruime achtertuinen en de brede groenstroken tussen de blokken. De woningen zijn in serie neergezet, vaak honderden tegelijk door dezelfde aannemer, met een beperkt aantal varianten. Koop en huur staan door elkaar in dezelfde rij, wat betekent dat je in één blok volledig aangepakte woningen aantreft naast woningen waar sinds de oplevering weinig is gebeurd.
2× bekeken
- wonen
De galerijflat in systeembouw, 1965 tot 1980
1965 tot 1980, met de meeste complexen tussen 1966 en 1978. Ze staan in de naoorlogse uitbreidingswijken van de grote en middelgrote steden, meestal in stroken langs een groenzone of een ontsluitingsweg, en in de groeikernen die in die jaren zijn aangewezen. Het gaat om tienduizenden woningen, gebouwd in een beperkt aantal bouwsystemen die elk hun eigen elementen en zwakke plekken hebben. Welk systeem het is, bepaalt wat er kan: bij het ene systeem is de gevel dragend en bij het andere niet, en dat verschil beslist of je de gevel kunt openen, isoleren of vervangen.
1× bekeken
- wonen
De jaren-dertig woning
1920 tot 1940, met de meeste woningen tussen 1925 en 1939. Nederland heeft er ruwweg 800.000 van, ongeveer een op de tien woningen in de voorraad, en het is daarmee het meest gewilde en meest besproken woningtype van het land. Je vindt ze in de uitbreidingswijken die tussen de vooroorlogse stad en de naoorlogse wijken in liggen: de zuidelijke en oostelijke schil van de grote steden, de tuindorpen van de woningbouwverenigingen, en de complete straatwanden in plaatsen als Hilversum, Amersfoort, Zwolle, Eindhoven, Breda en Apeldoorn. Een aanzienlijk deel is nog in bezit van corporaties, vooral in de vroege tuindorpen.
1× bekeken
- gemeenschappelijk eigendom
De maisonnette, 1955 tot 1985
1955 tot 1985, met een zwaartepunt in de jaren zestig en zeventig. Ook in nieuwbouw na 2000 komt de maisonnette weer voor, meestal als bovenwoning met een eigen entree op maaiveld.
1× bekeken
- gemeenschappelijk eigendom
De portiekflat, 1955 tot 1970
1955 tot 1970, met het zwaartepunt tussen 1958 en 1968. Nederland moest in die jaren grote aantallen woningen bouwen en de portiekflat was daarvoor het goedkoopste gestapelde antwoord: geen lift nodig tot vier lagen, een korte ontsluiting per portiek, en een plattegrond die zich eindeloos liet herhalen. Er staan er enkele honderdduizenden, in de naoorlogse uitbreidingswijken van vrijwel elke stad en aan de randen van middelgrote gemeenten, meestal in blokken van twee tot zes portieken. Een deel is nog van een woningcorporatie; een groot deel is in de jaren tachtig en negentig uitgepond en heeft nu een vereniging van eigenaars met acht tot enkele tientallen leden.
1× bekeken
- isolatie
De wederopbouwwoning, 1945 tot 1960
1945 tot 1960, met het zwaartepunt tussen 1948 en 1960. Nederland had aan het eind van de oorlog een groot woningtekort, en de eerste jaren daarna werd er gebouwd onder rijkstoezicht met vastgestelde normen voor oppervlakte, materiaalgebruik en kosten. Dat verklaart waarom de woningen uit deze periode overal in het land zo op elkaar lijken. Er staan er ongeveer zeshonderdduizend, in de eerste naoorlogse uitbreidingen van vrijwel elke gemeente en in de wederopbouwgebieden van Zeeland, Gelderland en Limburg en de gebombardeerde binnensteden van Rotterdam, Nijmegen, Arnhem en Den Helder. Je herkent ze aan de stedenbouw: lange rechte stroken met ruimte ertussen, veel openbaar groen, en een straatprofiel dat op de fiets is ontworpen.
1× bekeken
- gemeenschappelijk eigendom
Het gesplitste herenhuis met een kleine VvE
Het pand zelf dateert van 1870 tot 1940, met de meeste exemplaren tussen 1890 en 1935. De splitsing in appartementsrechten is jonger: die golf begon in de jaren zestig, versnelde in de jaren tachtig en negentig toen huurpanden per verdieping werden uitgepond, en loopt door tot vandaag. Nederland telt ruim 145.000 verenigingen van eigenaars, en meer dan de helft daarvan heeft minder dan tien appartementen. Een flink deel van die kleine verenigingen zit in een gesplitst vooroorlogs pand. Je vindt ze in de negentiende-eeuwse ring en de vooroorlogse stadswijken van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem, Groningen, Arnhem en Nijmegen, vaak in een gesloten bouwblok en regelmatig binnen een beschermd stadsgezicht.
1× bekeken
Toon 5 woningtypen meer13 van 18 getoond · pagina 1 van 2
Wat staat hier?
- Hoe weet ik welk type ik heb?
- Aan de bouwperiode en de vorm: rij of vrijstaand, wel of geen kruipruimte, spouw of massief. De bouwperiode staat bij elk type erbij.
- Waarom is dat nuttig?
- Omdat de gebreken per bouwperiode voorspelbaar zijn. Een huis uit 1930 heeft andere problemen dan een huis uit 1975, en dat scheelt in wat je eerst laat kijken.
- Mijn huis is verbouwd — geldt het dan nog?
- Voor de schil vaak wel en voor de installatie vaak niet. Bij elk type staat wat er doorgaans is vervangen en waaraan je dat ziet.
Verder kijken
Stijlgidsen
Waaraan je een bouwstijl herkent
17 stijlgidsen
Gebreken
Zoek op wat je ziet
226 gebreken
Verbeterchecks
Vragen langs, en dan de maatregelen
22 verbeterchecks